Christen Forum Limburg

Afscheidsinterview dr. Marc Desmet

Het Belang van Limburg
26 juli 2020

In de kapel

© luc daelemans

Priester-arts Marc Desmet wordt regionaal overste van de jezuïeten: “Ik ben de voorbije drie jaar dikwijls in de kerk van het Salvatorziekenhuis gaan bidden. Daar is veel gebeurd. Naar mijn gevoel werd ik voorbereid op wat nu komt.”

“Mijn priester zijn zit in dat medische werk”

Priester-arts Marc Desmet (64) neemt eind deze maand afscheid van de dienst palliatieve zorgen in het Hasseltse Jessa Ziekenhuis. Hij gaat zich wijden aan zijn nieuwe taak als regionaal overste van de jezuïeten in de Lage Landen.

Karel Moors

Op 30 juli valt het doek over de medische loopbaan van priester-arts Marc Desmet. De jezuïet die mee aan de wieg stond van palliatieve zorg in ons land en een toonaangevende afdeling mocht uitbouwen in het Hasseltse Jessa Ziekenhuis, begint ’s anderendaags aan zijn nieuwe opdracht: op vrijdag 31 juli - de feestdag van Ignatius van Loyola, de stichter van de jezuïetenorde - start hij officieel als regionaal overste van de Sociëteit van Jezus in Vlaanderen en Nederland.

Er komt na 28 jaar Jessa een einde aan uw carrière als arts. Hoe hard gaat u het missen?

“Het is toch wel een rouwproces voor mij. Ik maak nu veel ‘laatste momenten’ mee: laatste vergaderingen, laatste handelingen,... Behoorlijk emotioneel, zeker de momenten met mijn team. Het raakt me heel erg. Ik ga zeker niet weg omdat ik het beu was, absoluut niet. Maar tegelijkertijd wil ik het werk dat mij wacht ook graag doen, al zal ik de geneeskunde missen. Palliatieve geneeskunde is echt mijn ding, heb ik altijd ontzettend graag gedaan. Op de dienst palliatieve was ik in mijn element, het was mijn leefwereld. Ik ontmoet er natuurlijk patiënten op een bijzonder punt in hun leven, maar ik ben er helemaal op mijn gemak. Dat die habitat wegvalt, is een beetje onwezenlijk. Op 30 juli komt er een einde aan de medische praktijk. Maar ik neem me voor om lezingen te blijven geven.”

U moet de afdeling palliatieve zorg - uw kindje - loslaten.

(lacht) “Het is niet nodig dat ik het kindje blijf vasthouden. Er komen hele goeie dokters in mijn plaats. Zelf ben ik in januari 1993 begonnen. Ik was juist tot priester gewijd en de overste stuurde me naar het jezuïetenhuis in Godsheide. Per toeval - of per genade - ben ik in het Virga Jesse terechtgekomen, als een soort assistent van dokter Vanstraelen die hematoloog en oncoloog was. Ze waren er net begonnen met palliatieve zorg. Dat was precies waar ik me op wilde toeleggen.”

Palliatieve zorg is gericht op het verlichten van lijden bij terminale patiënten. Waarom trekt dat u zo aan?

Van in het middelbaar heb ik gevoeld dat ik priester moest worden en ik vond dat helemaal niet leuk

“Ik ben eerst afgestudeerd als arts en ging daarna bij de jezuïeten. In ’88 studeerde ik filosofie in Parijs en vroeg een andere jezuïet-arts me om mee te gaan naar Engeland om er enkele maanden te werken in een tehuis voor terminale patiënten. Ik was daar toen niet speciaal in geïnteresseerd, maar ik dacht dat het goed was om mijn Engels te oefenen. Al snel zag ik hoe nuttig de palliatieve aanpak in Engeland was. Een fotograaf - een kleinzoon van de Japanse keizer - heeft voor mij dia’s gemaakt en die heb ik getoond aan zuster Leontine, de directrice van het Brusselse Sint-Jansziekenhuis. Zij is zelf gaan kijken in Engeland en wilde dergelijke zorg ook hier introduceren. Na mijn priesterstudie - die toen nog vier jaar duurde - kon ik meedoen in Hasselt.”

Op welke verwezenlijking bent u het meest trots?

“Ik denk dat palliatieve zorg echt wel een begrip is geworden en dat er een goeie reputatie is opgebouwd, met bloed, zweet en tranen. Er is ook iets gegroeid bij mij: van ‘ik’ naar ‘wij’. In het begin denk je ‘ik wil hier iets oprichten’, maar een van de mooiste dingen in mijn leven is dat daar een team is gesmeed, een topteam. Wij hangen aan elkaar, toch op een vrij unieke wijze. Ik ben het diensthoofd en verwacht van mijn team - dertien verpleegkundigen, een psychologe, een pastor, de hoofdverpleegkundige en een veertigtal vrijwilligers - dat ze zelf meedenken en voorstellen doen. We waarderen elke inbreng. En zo is het team ook een medicijn.”

Zijn er ook pijnpunten?

“Ik ben het management ontzettend dankbaar dat ik hier dit werk mocht doen. Maar er zijn een paar dingen waar ik me zorgen over maak: voortdurende veranderingen, veel controle en evaluaties, mensen als pionnen verschuiven en het teambelang onderschatten... Dat vraagt heel veel energie van het personeel. 40 procent van de tijd zit een verpleegkundige achter een scherm. Ons team is supergevoelig voor zulke zaken, misschien zijn we wel de kanarievogeltjes zoals in de mijn. De manier waarop onze afdeling werkt, is niet typisch voor een ziekenhuis. Het is zelfs een beetje een tegencultuur. Als mensen bij ons binnenkomen, zeggen ze dat het er veel rustiger is dan in het ziekenhuis. (lacht) Terwijl er zeer veel gebeurt.”

Welke evoluties heeft u gezien in de palliatieve zorg?

Marc Desmet

© luc daelemans

“Het is ingewikkelder geworden. Mensen leven langer, maar lijden ook langer en sterven langer. Leeftijdsgrenzen voor het opstarten van therapieën zijn verschoven. Er is ook veel meer aandacht voor spirituele pijn en de zin van het leven. Vroeger ging het bij palliatieve over kankerpatiënten, nu zijn we daarnaast ook bezig met orgaanfalen, neurodegeneratieve aandoeningen als dementie of parkinson, zelfs revalidatiepatiënten. Wat als er nog een complicatie komt bij deze patiënt? Dat soort vragen bestonden twintig jaar geleden niet. Ik zie ook paradoxale effecten: mensen overleven langer dan men had gedacht omdat ze tot rust komen op de palliatieve afdeling. Ik heb er moeite mee als palliatieve zorg gereduceerd wordt tot tender and loving care. Dat is het wel, maar we doen ook aan geneeskunde. Als iemand ligt te creperen, moet ik zorgen dat die niet meer crepeert.”

U schreef ook boeken, onder andere over euthanasie.

“Euthanasie is zeker een van de grote verschuivingen in heel palliatief Vlaanderen. Toen ik begon, was een euthanasievraag iets zeldzaams. De laatste vijf à tien jaar ben ik nooit meer zonder die vraag geweest. Ikzelf heb nooit euthanasie uitgevoerd, maar tegelijkertijd ben ik de arts die euthanasie het meest begeleid heeft in het ziekenhuis. Ik ben niet echt voor euthanasie, maar ik ben wel bereid om naar het probleem te luisteren. Dat begrijpen ze niet altijd van een priester. Soms worden goede mensen misleid door goede dingen: het kan goed zijn tegen euthanasie te zijn, maar je kan er zó fel tegen zijn dat je de indruk geeft dat het probleem van die patiënt minder belangrijk is dan je eigen ethisch principe. Ik trek me niet terug uit die problematiek. Dat is net wat jezuïeten doen: wij zijn geroepen om in de spanningsvelden in de wereld te staan. Euthanasie is het veld van het levenseinde gaan kleuren, wat niet betekent dat het voortdurend gebeurt. Soms wel.”

Hebben de arts en priester in u ooit geworsteld met elkaar?

“Over gewetensconflicten? Zo beleef ik dat niet. Jezuïeten proberen de complexiteit te honoreren. (lacht) Het leven zit ingewikkeld in elkaar. Van in het middelbaar heb ik gevoeld dat ik priester moest worden en ik vond dat helemaal niet leuk. Ik ben antiklerikaal, draag nooit een col. Het was een innerlijke dwang en ik begreep dat niet. Langs de ene kant werd ik vanbinnen aangesproken en langs de andere kant vond ik het afstotelijk. Trouwens, mijn vader werd opgeleid tot Witte Pater, trad uit en ontmoette daarna mijn moeder. Zelf ben ik iemand die heel graag danst. Bij mijn priesterwijding heb ik zelfs een groot dansfeest gegeven.” (lacht)

Waardoor gaf u toch toe aan uw roeping?

“Ik heb er enorm mee geworsteld tijdens mijn studie geneeskunde. Op een bepaald moment ben ik in een bezinningscentrum van de jezuïeten terechtgekomen onder leiding van een huismoeder - niet bij een pater, dat betrouwde ik niet (lacht) - en daar ontdekte ik dat er een soort van religieuzen bestaan die midden in de wereld staan, niet in kloosters leven, maar vanuit een profane competentie dingen in de wereld doen. Dat is hun priester zijn. De beste jaren van mijn leven heb ik aan het ziekenhuis gegeven, mijn priester zijn zit in de eerste plaats in dat medische werk, niet in datgene wat ernaast komt, al is dat er ook. Dat andere is de laatste jaren wel toegenomen: ik bid nu meer dan vroeger.”

Hoe komt dat?

“Ik heb natuurlijk altijd gebeden, ging naar de mis en op jaarlijkse retraite en begeleidde mensen met geestelijke oefeningen. Maar ik was heel weinig expliciet met God bezig. Op een dag ontmoette ik een andere huismoeder die vroeg ‘Bid jij met je beslissingen?’ en dat was een be-keerpunt. Ik ben de voorbije drie jaar dikwijls uren in de kerk van het Salvatorziekenhuis gaan bidden, meestal na mijn werk. Er zat nooit iemand, precies alsof die kerk er speciaal voor mij was. Daar is veel gebeurd, ik heb God explicieter ervaren. Naar mijn gevoel werd ik voorbereid op wat nu komt.”

De Goddelijke voorzienigheid?

“Eigenlijk wel. Voor de meeste mensen betekent dat niks maar ik ben er diep van overtuigd dat er Iemand met mij bezig is. Het is wonderlijk dat ik mocht gaan werken in het Virga Jesse, ik ben dankbaar dat ik daar ben terechtgekomen.”

U bent tegen het verplicht celibaat, heb ik begrepen?

“Wat mij betreft zouden gehuwde mannen priester mogen worden of zouden priesters mogen huwen. Maar sommigen, zoals ik, zijn niet gemaakt voor het huwelijk. Ik vind ook dat vrouwen priester zouden mogen worden. Maar de katholieke Kerk is betrokken op de hele wereld en in Afrika of Zuid-Amerika krijg je dat niet verkocht. Dat mensen geroepen worden om niet te huwen en samen te leven in groep en onder het dak van dezelfde spiritualiteit terechtkomen, is ook een enorme ervaring. Tegelijkertijd zijn er leken die ook onze spiritualiteit voelen, die eigenlijk dezelfde methode toepassen als jezuïeten: de geestelijke oefeningen van Ignatius.”

Wat houdt dat in, simpel uitgelegd?

“Het is een methode om op een gelovige manier belangrijke keuzes te maken in je leven. Dat kan ook door leken worden toegepast. We komen meer en meer tot een gelijkwaardige verhouding tussen religieuzen en niet-religieuzen met dezelfde spiritualiteit. ‘Onderscheiden’ is het woord dat jezuïeten gebruiken voor gelovig kiezen: zoals je ogen zich aanpassen aan de duisternis en stilaan vormen onderscheiden. Zou ik veranderen van job? Verhuizen of niet? Je kan antwoord zoeken op die vragen op een geestelijke manier. Ik heb dat al die jaren toegepast in de geneeskunde, ook als we als team moesten beslissen en ik de finale knoop moest doorhakken. Ik ga dat zeker meenemen in mijn nieuwe taak als regionaal overste.”

Heeft u gesolliciteerd voor die positie?

“Zo gaat dat niet. Het is een heel proces waarbij alle jezuïeten gevraagd wordt welk profiel ze nodig achten en aan welke drie namen ze denken. Je wordt door de groep naar voor geschoven.”

Wil u bepaalde doelstellingen halen?

“Niet dadelijk. M7aar ik zou graag samen willen onderscheiden, samen tot beslissingen komen. Zo heb ik altijd gewerkt in het palliatief team en zo wil ik werken als overste. Onze generale overste in Rome benadrukt dat: hij wil dat we medewerkers en leken binnen de ignatiaanse familie betrekken bij belangrijke beslissingen. Dat is relatief nieuw. We willen naar iets anders toe groeien en dat vind ik heel boeiend.”

Hoeveel jezuïeten zijn er?

“Wereldwijd 16.000 en ik denk zo’n 140 in Vlaanderen en Nederland. Er is weinig instroom hier, maar in mijn communiteit verblijven wel jongere jezuïeten uit zeven landen en vier continenten. Het aandeel bejaarden neem toe. We willen voor hen zorgen maar ook nieuwe dingen doen, iets opzetten rond het gevangeniswezen en vluchtelingen. De vier speerpunten waar de jezuïeten op focussen zijn jeugd, ecologie, sociale rechtvaardigheid en samen onderscheiden. We willen ook initiatief nemen om het jezuïetenleven te promoten. Ikzelf heb als jongere erg mijn best gedaan om geen jezuïet te worden maar word nu wel overste. We zullen maar hopen dat er nog zo’n paar zijn.” (schaterlacht)

Met u verdwijnt de laatste jezuïet uit Limburg?

“Ja. Walter Ceyssens komt wel uit Limburg maar werkt niet in de provincie. In die zin ben ik nu de laatste. Ik heb veertien jaar in Limburg gewoond tot ons huis in Godsheide werd verkocht, sindsdien woonde ik in Leuven en pendelde ik naar Hasselt. Voor mijn nieuwe taak verhuis ik naar Antwerpen.”

Kan u ter afronding een goeie jezuïetenmop vertellen?

“Goh, een mop heb ik niet direct maar ik gebruik zelf graag een variatie op een uitspraak: je pense donc jésuite.” (lacht)

Bron: Het Belang van Limburg