Christen Forum Limburg

Een wetenschapper op zoek naar exoplaneten

een wetenschapper op zoek naar geloof …

Leen Decin

Astrofysicus,
hoogleraar sterrenkunde KU Leuven

Maandag 18 februari 2019

Transcriptie

(Michel Kempeners las ter inleiding voor uit Le Petit Prince van Antoine de Saint-Exupéry)

Zo was ik dan weer achter iets heel belangrijks gekomen.

De planeet waar de Kleine Prins vandaan kwam
was niet veel groter dan een huis.
Dat hoefde ook niets te verbazen:
ik wist wel dat er behalve de grote planeten
zoals de aarde, Jupiter, Mars en Venus,
die namen hebben,
nog honderden andere zijn,
soms zo klein dat men ze zelfs met een telescoop moeilijk kan zien.
Als een sterrenkundige er een ontdekt
geeft die hem een nummer, bij wijze van naam
en noemt hem bijvoorbeeld asteroïde 3251.

Ik heb reden te geloven dat de planeet
waar het Prinsje vandaan kwam
de asteroïde B 612 was;
die is maar één keer met de telescoop gezien,
in 1909, door een Turks sterrenkundige

Asteroïde B 612.

Grote mensen houden van cijfers.
Wanneer je hun vertelt van een nieuwe vriend
vragen ze nooit het belangrijkste.
Ze zeggen nooit: hoe klinkt zijn stem?
Van welke spelletjes houdt hij het meest?
Verzamelt ie vlinders?
Maar ze vragen: hoe oud is ie?
Hoeveel weegt ie?
Hoeveel broertjes heeft ie?
En: hoeveel verdient zijn vader?
Dan pas vinden ze dat ze hem kennen.

Als je tegen de grote mensen zegt:
het bewijs dat de Kleine Prins bestaan heeft
is dat hij er lief uitzag,
dat ie lachte
en een schaap wilde hebben.
Als je graag een schaap wil hebben, is dat het bewijs dat je bestaat:
ze zullen de schouders ophalen,
en je voor een klein kind uitmaken.

Maar als je zegt: de planeet waar hij vandaan kwam
is asteroïde B 612,
dan geloven ze je meteen
en laten je verder met rust met hun vragen.
Zo zijn ze nu eenmaal.

Kinderen moeten veel geduld hebben met grote mensen.

Maar wij die het leven begrijpen,
wij geven om al die nummers niets.

Eigenlijk had ik dit verhaal als een sprookje willen beginnen
en had ik gezegd:
Er was eens een Kleine Prins die een planeet bewoonde,
niet veel groter dan hijzelf,
en die een vriend nodig had.

Voor mensen die het leven begrijpen
zou dat veel echter lijken.

Deze avond zal ik trachten jullie een beetje in te wijden in mijn wereld. Een wereld waarin ik voornamelijk overdag een wetenschapper ben, niet alleen bezig met planeten, maar ook een wetenschapper bezig met geloof. Dat stukje geloof speelt op en af een belangrijke en minder belangrijke rol. Plotseling kwam het wel heel hard op de voorgrond. Ik zat bij Van Gils en Gasten en krijg daar deze vraag voorgeschoteld: "Geloof je in de oerknal, of geloof je in God?"

Ik heb toen duidelijk trachten te maken dat een "of" niet exclusief moet zijn, dat het beide kan. Ik zat daar om uit te leggen wat we hadden gevonden over die exoplaneten, en we hadden het over buitenaards leven, en van Jan Leyers kreeg ik deze vraag: "Maar dan heeft God nog een andere soort geschapen, niet naar zijn evenbeeld?" En toen dacht ik: die heeft het niet verstaan. Die gebruikt de Bijbel als een wetenschappelijk werk, en dat is het niet: het is meer dan dat, en het is ook anders.

Ik zal drie luikjes behandelen: eerst iets over de planeten, de andere planeten en de exoplaneten en waar we vandaag staan. En dan zal ik het hebben over wat het ontdekken van ET, van buitenaards leven kan betekenen voor ons mensbeeld. Het derde luik is het moeilijkste: hoe proberen we geloof en wetenschap met elkaar te combineren?

Exoplaneten

Lange tijd dacht men dat de aarde het centrum was van het gans universum. Copernicus heeft dat beeld overhoopgegooid en heeft – niet zonder slag of stoot – kunnen aantonen dat het de zon is die in het centrum staat van ons zonnestelsel. Rond onze zon hebben we acht planeten (Pluto niet meer, dat is een dwergplaneet geworden). De planeten lijken [op een schema] heel dicht op elkaar te staan, maar ze staan in feite best heel ver uit elkaar. Wij leven dankzij de zon. Als de zon aan deze kant van het podium ligt, dan ligt de aarde aan de andere kant. Jupiter zou dan 50 meter buiten de aula liggen.

En dan die andere sterren, onze naaste buren? Onze naaste buur, Proxima Centaur, die woont dan in Moskou. Tussen ons en Moskou: niets. Zo ijl is de ruimte. Daarin zoek ik ook naar andere sterren. Als we naar het hemelfirmament kijken, dan weten we dat er heel veel zijn. Wij leven redelijk aan de buitenkant van een spiraalstelsel – ons melkwegstelsel. In onze buurt is het tamelijk leeg, en dat zorgt ervoor dat er minder kans is dat we botsen met andere melkwegstelsels. In dit melkwegstelsel zitten er ongeveer 100.000.000.000 (honderd miljard) sterren. Dat zijn ongeveer honderd emmers heel fijne zandkorrels. En onze ster, de zon, is er daar één van.

Honderd miljard sterren in één melkwegstelsel. En dan hebben we nog weer eens ongeveer honderd miljard melkwegstelsels. Honderd miljard maal honderd miljard sterren: 1000.000.000.000.000.000.000! Sterrenkundigen zijn niet bang van een nul te veel of te weinig.

Hoe groot is dat dan? Omdat onze getallen zo groot zijn, spreken wij in termen van lichtjaren. Een lichtjaar is een afstand, géén tijd. Één lichtjaar is ongeveer tien biljoen kilometer. Ons melkwegstelsel is 100.000.000.000.000.000 (achttien nullen!) kilometer. Het is immens groot, met heel veel sterren, maar het is héél ijl. En in die ijlheid zoeken wij naar andere planeten.

Waarom?

"The universe is a pretty big place. It is bigger than anything anyone has ever dreamt of before. So if it just us it seems like an awful waste of space."

(Het heelal is een vrij grote ruimte. Het is groter dan iemand zich ooit heeft kunnen voorstellen. Dus, als wij het alleen maar zijn, dan lijkt dat een gigantische verspilling van ruimte.)

En dus zoeken we. We zoeken naar planeten buiten ons zonnestelsel, om te verstaan wat ons verhaal is. Om te verstaan of er op andere planeten ook leven zou kunnen zijn. De zoektocht naar andere planeten is eigenlijk altijd al een zoektocht geweest naar ander leven. Al ten tijde van 400 vóór Christus konden we in geschriften van Democritus van Abdera lezen: als de waargenomen natuurwetten universeel zijn, en er leven op aarde aanwezig is, dan zou leven overal in de kosmos aanwezig kunnen zijn. Hij ging dus al uit van de universaliteit van de natuurwetten. Giordani Bruno , een van de eersten die het Copernicaanse wereldbeeld uitdroegen, zei: er zijn ontelbaar veel zonnen, ontelbaar veel aardes draaien rond deze zonnen, op een vergelijkbare wijze als de zeven planeten rond de zon draaien. Levende wezens bewonen deze werelden. Grappig: Bruno sprak van zeven planeten, terwijl er op dat moment maar zes gekend waren. Omwille van zijn wereldbeeld als natuurwetenschapper, maar ook omwille van zijn theologisch beeld, werd hij jammer genoeg op de brandstapel verbrand. Wetenschapper zijn is niet altijd evident…

We zoeken naar die andere levens, en dat is een zoektocht naar andere planeten. Ook de ruimtevluchten zijn daar getuige van. Voyager 1 en 2, gelanceerd in 1977, en hun voorgangers, de Pioneer 10 en 11, die hebben een gouden plaat aan boord. Op die van 1977 zie je een voorstelling van de oerknal, het waterstofatoom en hoe wij denken dat het zonnestelsel eruitziet. Er stond ook muziek op, Beethoven en Mozart, en een welkomstgroet in 55 talen (ook in het Nederlands: "Hartelijke groeten aan iedereen"). Allemaal in de hoop dat die satellieten ooit zouden onderschept worden door buitenaards leven, en die gouden plaat zou kunnen afspelen en horen dat wij een vredelievende bevolking zijn die hen met open armen zouden verwelkomen.

Op dit ogenblik is onze aarde de enige plek "ter wereld" waarvan we weten dat mensen er kunnen leven. Wat is er dan zo speciaal aan onze aarde? Om leven te kunnen hebben zijn een aantal dingen nodig: een aardachtige planeet (Jupiter en Saturnus bv. zijn gasreuzen, daar kunnen we geen leven op verwachten: je hebt een korst nodig). Er is warmte nodig, niet te veel en niet te weinig. En water, dat vloeibaar kan blijven. Water is een bijzonder goede katalysator die ervoor zorgt dat de processen – ook diegene die voorafgaan aan het leven – veel sneller kunnen verlopen. Verder heb je koolstofmateriaal nodig – organisch materiaal: jij en ik zijn een koolstofskelet. Dat zijn dus ook de kenmerken waarnaar we op zoek zijn.

Leen Decin bij Christen Forum

Leen Decin bij Christen Forum

We zoeken op heel wat manieren naar buitenaards leven. Ik zal het enkel hebben over hoe we zoeken in het heelal. We hebben heel krachtige telescopen en satellieten die ons daarbij helpen. Er staan heel gevoelige telescopen in Chili. De ruimtetelescoop Kepler heeft tot nu toe het meeste planeten ontdekt.

Als je ooit nog een foto ziet van een planeet buiten ons zonnestelsel – een exoplaneet, dan weet je dat het geen echte foto is; het zijn artist 's impressions. Tot op de dag van vandaag hebben we nog geen foto kunnen nemen: ze staan te ver af.

Hoe ontdekken we dan wel andere planeten? Een planeet draait rond haar zon. Maar ze trekt ook een klein beetje aan de moederster. De moederster zal dus een heel klein beetje wiebelen. Wat wij waarnemen is het wiebelen van die moederster. De planeet kan ik niet zien, want die geeft geen licht. Aan de hand van de bewegingen van de moederster kunnen we berekenen hoe groot een planeet is; meer kan met de huidige technologie niet.

De bewegingen van de planeten zorgen ervoor dat het licht van de moederster ook zal bewegen. Het is met die techniek dat we in 1995 voor het eerst een planeet hebben gevonden bij een andere zon, rond de ster 51 Pegasus. De planeet werd 51 Pegasus B genoemd. We hebben sterren ontdekt met 11 planeten: dat is momenteel de recordhouder.

51 Pegasus B zette onze denkwereld over hoe sterren worden gevormd al helemaal op zijn kop. De satelliet stond heel dicht bij zijn moederster, een warme Jupiter. Dat kennen we niet in ons eigen zonnestelsel. We hadden mathematische modellen die ervoor zorgden dat we vier aardachtige en vier gasachtige planeten kregen. Dat klopte helemaal niet meer. Ergens maakten we grote fouten. Tot op de dag van vandaag blijft het heel moeilijk om met de wetten van de fysica een algemeen beeld te krijgen waarmee we én ons eigen zonnestelsel kunnen "maken", maar ook de heel wat exotischer planeten, de warme bijvoorbeeld.

Een andere techniek waarmee we planeten kunnen ontdekken is het voorbijtrekken van een planeet. Dan krijg je een klein beetje minder licht van de moederster. Dat kunnen we detecteren. We hebben daarvoor een nauwkeurigheid nodig van 1 op honderdduizend, 1 op een miljoen. De kleine lichtfluctuaties kunnen ons aanduiden dat er een kleine planeet rondom de ster zit. Deze techniek geldt maar als de planeet mooi in het gezichtsveld komt: daarom noemen we dat de transitmethode.

De transitmethode is nu zo verfijnd dat we kunnen ontdekken dat de planeet een atmosfeer heeft. Zelfs hebben we ontdekt dat er waterdamp zit in de atmosfeer van aardachtige planeten.

De derde techniek is de mooiste, omdat je er de planeet wél mee zult kunnen zien. Met een coronograaf hebben we de ster afgedekt, waardoor het felle licht van de ster zelf wordt afgeblokt. Met een tweede techniek kunnen we de turbulenties van de atmosfeer corrigeren. Met die twee technieken kunnen we zien dat één of meer planeten over een bepaalde periode een bepaalde afstand rondom hun moederster hebben afgelegd.

Waar staan we dan nu? We zoeken planeten, we proberen beter en beter te verstaan hoe uniek onze aarde is, hoe uniek het mens-zijn zou kunnen zijn. We zoeken nog altijd heel dicht bij huis, met de huidige technologie binnen de eerste 3000 lichtjaren. Wat we daaruit kunnen afleiden is dat er waarschijnlijk meer planeten zullen zijn in het universum dan sterren. De teller stond eind vorige week op 3912.

Als aarde zijn we dus niet alleen: er bestaan gelijkaardige aardes. We hebben bij onze naaste buur, Proxima Centaur, ook een aardachtige planeet ontdekt. Dat wekt bij journalisten de hoop dat we daar eventjes op bezoek konden gaan. Ik heb dan maar uitgelegd dat dat snel honderdduizend jaar duurt met de huidige technologieën.

Een planeet van Proxima Centaur

Een planeet van Proxima Centaur

Van hoeveel planeten denken we momenteel dat ze bewoonbaar zijn? We hebben het vermoeden dat het er een dertigtal zijn [van de 3912]. Maar wat bedoelen wij als astrofysici als "bewoonbaar"? Heel eenvoudig: niet te warm en niet te koud, en dat water vloeibaar kan zijn. Dus niet te dichtbij en ook niet te ver af van de moederster. Vloeibaar water is het meest centrale kenmerk van bewoonbaar.

Het is niet evident om leven te krijgen. Er zijn heel wat dingen die toch wel speciaal zijn aan onze aarde. Onze aarde heeft zijn seizoenen, omdat de aardas wat scheef staat. Die seizoenen geven spanning op de natuur en zijn van belang: na een winter doet alles weer beter zijn best om te leven.

Onze aarde heeft een bepaalde grootte. Was ze wat groter geweest, dan zou onze atmosfeer te zwaar zijn; was ze wat kleiner geweest, dan zouden we geen atmosfeer hebben. We hebben ook onze andere planeten nodig. Er zijn dus heel wat voorwaarden om leven te krijgen.

Bestaat er misschien ander leven? Die zoektocht wordt beperkt door het feit dat ik een mens ben: ik zoek met mijn menselijke mogelijkheden. Als je kijkt naar de evolutie van het leven op aarde (die ongeveer 4 miljard jaar oud is), en je vergelijkt dat met een encyclopedie van veertien delen (één voor elk miljard jaar van het universum), dan beschrijven de laatste vier boekdelen onze aarde. In het laatste boekdeel beginnen de reptielen te komen. Maar pas op de allerlaatste paragraaf van het boek, daar komt homo sapiens! De moderne mens, die de speerpunten maakt, komt in de allerlaatste woorden. Het laatste punt – misschien een komma – dat zijn wij.

Wij als mens zijn hier nog maar een heel korte tijd. En wij zoeken nu met de huidige technologie, voornamelijk radiogolven, naar andere werelden. Hoe lang kunnen wij al schrijven, en communiceren met radiogolven? Dat laatste vooral sinds de Tweede Wereldoorlog (dat is 0,02 procent van de ganse tijd). Het is dus niet eenvoudig om op deze manier een andere beschaving te ontdekken. Dat is de uitdaging: wij hebben maar beperkte mogelijkheden, en zijn maar een puntje in het verhaal van het universum.

The old ones knew that life is not rare,
but precious,
not fragile, but vulnerable.
Life is as deep as the seas in which it was born,
as strong as the mountains that gave it shelter.
As universal as the stars themselves.

(De ouden wisten dat het leven niet zeldzaam is,
maar kostbaar,
niet broos, maar kwetsbaar.
Het leven is zo diep als de zeeën waarin het werd geboren,
zo sterk als de bergen die het beschutting boden.
Zo universeel als de sterren zelf.)

Leven is inderdaad niet zo fragiel. Het is kwetsbaar maar heeft ook veerkracht. Hier op aarde vinden we leven op Antarctica, in de woestijnen, heel diep in de zee. Waarom is het dan vreemd te bedenken dat leven misschien ooit op Mars is geweest, dat leven zich heeft ontwikkeld onder de ijskorsten van Europa en Enceladus, maantjes van resp. Jupiter en Saturnus? Waarom zou er ook geen leven op Titan kunnen zijn, die geen waterdamp heeft, maar heel veel methaan, dat voor een stukje de functie van water zou kunnen vervangen?

Daarom blijven we zoeken, ook al lijken de kansen heel klein. Een van dingen die in de loop van het volgende decennium hopen te bereiken is dit: vanaf 2020 worden heel wat nieuwe telescopen en satellieten in gebruik genomen, en die zullen gaan zoeken naar bio-signaturen – signalen van iets dat zich heeft ontwikkeld op een planeet doorheen biologische processen. Iets dat ons aangeeft dat er biologische activiteit is. Ozon, zuurstof kan dat zijn, ook methaan.

Natuurlijk gaan we nooit tevreden zijn als we maar één vingerafdruk vinden: we moeten er een combinatie van vinden. Twee of drie zal ons vertrouwen geven dat we verder moeten kijken naar die planeet. Met de nieuwe satellieten gaan we dan proberen die heel kleine signalen te interpreteren in een bijzonder complex proces, omdat we weten dat alles wat te maken heeft met bacteriën geen lineair proces is.

Dit is ongeveer waar we vandaag staan in het onderzoek. En dan denk je wel eens na over wat de impact zou kunnen zijn als we inderdaad een teken van ET zouden kunnen vinden.

Heel wat, en het hangt ervan af hoe je daarover nadenkt. Is het leven de uitkomst van een heel convergent proces, of is leven eerder een toevalligheid? De vergelijking van Drake uit 1961 heeft eigenlijk aan de basis gelegen van heel wat nieuwe satellieten en telescopen. De vergelijking is opgesteld om wat discussie te krijgen, en dat is ook gelukt. Drake heeft alleen proberen te schatten hoeveel planeten met leven er kunnen zijn. Om dat te weten, moet je weten hoeveel sterren er zijn in ons universum, hoeveel van die sterren hebben planeten, hoeveel van de planeten zijn bewoonbaar, hoeveel van ze kunnen bacteriën krijgen, van hoeveel van die planeten krijgen we dan intelligent leven? Hoeveel daarvan kunnen technologieën ontwikkelen om te kunnen communiceren, en hoe lang duurt dan die communicatie? Als je alles "maal" doet, dan krijg je een getal, N. Nu, veel kennen we daar niet van. We zijn nu bezig met vraag drie: hoeveel van die planeten kunnen misschien bewoonbaar zijn? Al de rest is biologie – niet mijn vakdomein, maar nog veel moeilijker om vast te leggen. Dat zorgt ervoor dat het getal N varieert tussen 0 en 100.000. Alleszins heeft het getal dit in zich: de mens is het eindproduct van een natuurlijke evolutie. De mens is eindproduct van fysica, chemie en biologie.

In 2000 is hebben Worth en Brommery een soort tegenantwoord gegeven: het leven is dan geen convergent proces; het is hier gekomen door heel wat toevalligheden. Onze aarde moet een bepaalde grootte hebben, een bepaald stand, een bepaalde temperatuur. Een van de toevalligheden is een vermoede komeetinslag van 60 miljoen jaar geleden waardoor de dinosaurussen zijn uitgestorven – dankzij hun afwezigheid zijn wij er nu. Het lijkt alsof eraan bijzonder veel voorwaarden voldaan moet zijn vooraleer je leven kun hebben. Het is een beetje zoals het nemen van hordes. Stel dat de kans dat je over een horde geraakt 1 over 1000 is. Van de 100 miljard planeten zou ik na de eerste horde (ze mogen niet te warm en niet te koud zijn) er nog 100 miljoen over hebben. De tweede horde zou kunnen zijn: je moet een bepaald schuine stand hebben, en zo gaan er weer een factor 1000 van af. En zo kun je verder gaan. Zo wordt dan de kans dat leven zich ontwikkelt, wel heel klein is. En de uitkomst van die redenering zou zijn dat wij als mensen uniek zijn in dit universum. Een groot verschil met de andere theorie die zegt dat er hier een convergent proces is geweest, en dat analoge processen ook op andere planeten mogelijk zijn.

Het is de vergelijking van Drake die heel wat wetenschappers drijft. Het heeft ertoe geleid dat Carl Segan erin is geslaagd om SETI op te richten, de zoektocht naar buitenaards leven, door te zoeken naar signalen die mogelijk door een buitenaardse beschaving zijn veroorzaakt.

We hebben dat buitenaards leven nog niet gevonden, maar de zoektocht gaat verder. Maar wetenschap beoefenen is meer dan 0 of 1. Het is ook proberen te begrijpen waar wij staan, wij als mens binnen dit verhaal van het universum. Het is zoals astrofysicus Sir Martin Rees het zei: "Absence of evidence is evidence of absence" . Het is dus niet omdat we ze nog niet hebben gevonden dat ze er misschien niet zijn.

Laten we even veronderstellen dat die buitenaardse wezens verder ontwikkeld zijn dan wij – de kans daartoe bestaat, op basis van het principe van de middelmatigheid: wij hebben een bepaald intelligentieniveau en schatten onszelf in halfweg het niveau van andere ontwikkelingen (dat zie je ook in sciencefiction films). Stel dat die andere beschavingen verder ontwikkeld zijn dan wij en al zo'n Elon Musk ruimteschip hebben kunnen ontwerpen, en dat ze maar 100 jaar nodig hebben om 10 lichtjaren te reizen, dan kun je eenvoudig berekenen dat ze één miljoen jaar nodig hebben om aan de andere kant van ons melkwegstelsel uit te komen. Dan denk je dat één miljoen best wel veel is, maar een miljoen is bijzonder weinig als je weet dat onze aarde er al vier miljard jaar is. Dus áls die andere wezens inderdaad zo snel kunnen reizen, dan leidt dat tot de vraag die Fermi zich stelde in 1950: waar zijn ze dan?

Dit lijkt een paradox: als buitenaards leven niet zeldzaam is, en als het bovendien een melkwegstelsel kan koloniseren binnen enkele miljoenen jaren, waarom hebben we ze dan nog niet ontmoet? Dat is een paradox als twee keer het woord als opgaat. Het is heel eenvoudig om te zeggen: buitenaards leven is zeldzaam – dus dan is er geen paradox meer; of: buitenaards leven is overvloedig aanwezig. In dat geval vind je bv. op Wikipedia al twintig verschillende soorten uitleg waarom we ze nog niet hebben ontmoet – gaande van "we zijn er nog niet rijp voor" of "misschien blijft de onvoldoende ontwikkelde Sapiens best nog even in zijn reservaat, zodat ze op zichzelf kunnen verder ontwikkelen."

Ik heb zelf in mijn lade nog ongelofelijk veel waarnemingen liggen waar ik nog nooit naar gekeken heb. Misschien zijn wij één van de velen die in de grote hoop zitten. Ik ken het antwoord niet.

De grote uitdaging zal zijn: als er ooit een teken komt – en daar bestaan protocollen voor – dan is de vraag niet zomaar welk statuut die tekengever dan krijgt. Misschien komt er een signaal dat we niet kunnen interpreteren. En dan zal er na de eerste golf van opwinding misschien angst komen. De angst van het niet-weten zou dan kunnen leiden tot een wapenwedloop (denk maar aan de koude oorlog), ruimtewapens, en dan weten we niet waartoe ons dat zal leiden. Er zijn mensen die daar bijzonder veel schrik voor hebben en die op tijd en stond zeggen: stop met het onderzoek, je weet nooit wat je tegenkomt.

Ik behoor niet tot die laatste soort. Ik ben iemand die gedreven is door nieuwsgierigheid, en gedreven is door wat er op mij afkomt, óók omdat ik het geluk heb met heel veel collega's te mogen samenwerken, of die nu in Amerika, Azië of Engeland woont, of die nu katholiek is of moslim. Sterrenkunde is een heel aangename omgeving om in te werken. Je mag er zijn wie je bent, raar of niet raar. Dat geeft ons een gevoelen van samenhorigheid. Het zorgt er ook voor dat we geen schrik hebben als er iets raars op de weg komt. We hopen dat een teken dat we niet kunnen interpreteren eerder tot samenhorigheid zal leiden dan tot afsplitsing.

In zijn toespraak tot de Verenigde Naties zei Ronald Reagan:

Perhaps we need some outside universal threats
to make us recognise these common bonds.
I occasionally think how quickly our differences worldwide would vanish
if we were facing an alien threat from outside this world.

(Misschien hebben wij een of andere bedreiging nodig van buitenaf
om ons bewust te maken van onze gemeenschappelijke verbondenheid.
Ik denk wel eens hoe snel onze wereldwijde verschillen zouden verdwijnen
als we te maken kregen met een vreemde bedreiging van buiten deze wereld.)

Wij als één homo sapiens samen met één ET. Wij zonder etnische verschillen, zonder taalverschillen, zonder godsdienstige verschillen.

Voorbij de horizon. Zoals Arthur Schoppenhauer [1788-1860] het ook zei:

Everyone takes the limit of his own vision
for the limits of this world.

(Iedereen neemt de grenzen van zijn eigen visie
voor de grenzen van deze wereld.)

ET

We hadden Aristoteles met zijn visie dat de aarde centraal staat in het universum. Copernicus bracht een nieuwe visie: de zon staat centraal in het zonnestelsel, maar wij wonen niet centraal in ons eigen melkwegstelsel. Wij wonen op de rand van een melkwegstelsel, wij zijn één van heel veel planeten, er zijn ongelofelijk veel andere melkwegstelsels, en we zijn – misschien – één universum uit vele andere universa.

Waar staan wij dan als mens? Wat is onze bijdrage in dit immens grote verhaal? In de tijd van Aristoteles gold het antropocentrische idee: de mens staat centraal in het universum. Daarvan krijgen we einde twintigste eeuw de complete antithese: de mens heeft geen enkel privilege meer. We zijn een stukje schuim in dit universum – misschien samen met andere schuimpjes, wie weet. We stellen niets voor.

Daarop heeft Carter in 1974 geprobeerd een tegenantwoord op te geven, terug naar de middenweg. Zijn antropisch principe luidde:

Ondanks het feit dat onze situatie niet noodzakelijk centraal is
is ze toch noodzakelijk geprivilegieerd,
tot op zekere hoogte.

Van dit antropisch principe - de idee dat er een nauw verband bestaat tussen ons mens-zijn en de eigenschappen van het heelal - zijn er verschillende formuleringen.

Het sterk antropisch principe (let op de plaats van het woord noodzakelijk!):

Het universum moet noodzakelijkerwijs zo zijn dat het leven mogelijk maakt

Het zwak antropisch principe zegt:

Om enige waarneming van het heelal te doen, moet er noodzakelijkerwijs intelligent leven zijn.

Wat wil dat tweede stukje zeggen? Aan mijn studenten vertel ik: deze vergelijking die ik nu opschrijf – dat is een vergelijking gegeven: ik ben een mens. In elke vergelijking zit er onderliggend dat je een mens bent. Het is de mens die de wiskunde heeft bedacht, het is de mens die de natuurwetten heeft geconstrueerd, vanuit wat we zien in de natuur. Maar overal, in alles wat ik zeg, in alles wat ik denk, zit de gegevenheid: ik ben een mens. En die gegevenheid krijg ik niet los. Als ik verder zoek in het universum zou ik die koppeling moeten kunnen verstaan, om ze dan te kunnen vertalen naar een volgende horizon. En dat is een vertaling die niet lukt. Overal zit ik in als mens.

Dat contact tussen wetenschap en filosofie is wat verwaterd. We zien hoe de wetenschap met grote stappen vooruitgaat, en hoe ze te weinig nog de banden smeedt met de filosofie. En toch zijn die banden er. Dergelijke principes kunnen zelfs een bepaalde voorspelling in zich houden. De ene voorspelling zegt: wij zijn alleen in het universum; de andere zegt: er is overvloedig veel leven. Dit is een paradox, maar is het niet helemaal.

Misschien is het antwoord tussen de twee uitersten van het sterke en zwakke antropisch principe eerder het cosmochaotisch principe van Caleb Scharf. Daarmee is bedoeld dat leven fragiel is, maar toch niet zo breekbaar. Je hebt een beetje orde (kosmos) nodig, én een beetje chaos. Leven kan zich ontwikkelen langs een bepaalde grens, en we mogen daar wel wat van af gaan, maar niet te veel. Als je voorbij de grenzen gaat van tijd en energie, dan floept het over naar niet-levensvatbaar. Maar leven kan er zijn, als het maar in een grens zit, en die grens mag ook dynamisch gaan fluctueren doorheen de tijd.

Welk ook het principe is, de nieuwe telescopen kunnen een bijdrage leveren. We zullen via de ontdekking van biosignaturen iets kunnen vertellen over deze filosofische gedachtegang. Want of we nu alleen zijn of niet, beide gedachten kunnen ons schrik aanjagen.

Want stel nu inderdaad dat we ET ontmoeten, welke impact zou dat dan hebben op ons wereldbeeld? Heel veel. Ik als wetenschapper probeer elke dag dingen te leren verstaan. En dan ontmoet je een ander leven, verder geëvolueerd dan jij, dat al alle antwoorden heeft op de vragen waar jij meer worstelt. Hoe inferieur kun je je dan voelen.

Wat zou de impact zijn van een ontmoeting met ET op de theologie? Er bestaan al sinds de Middeleeuwen ongelofelijk veel boeken over! In 2011 is hierover nog onderzoek gedaan door Ted Peters . Hij had een vragenreeks voor mensen, en de eerste was: stel dat er een confirmatie is dat er buitenaards leven bestaat, welke impact zou dat hebben op je eigen geloof? Heel veel antwoorden, van katholieken, protestanten, orthodoxen, gaven aan dat dat niet veel impact zou hebben.

Dan werd de vraag omgekeerd. Stel dat ET wordt ontdekt, wat zou dan de impact zijn op het geloof van iemand anders? En dan ontstaat een andere curve: sommige groepen verwachten een ongelofelijke impact op bepaalde religies. Dat antwoord komt vooral van mensen die atheïstisch zijn.

Buitenaards leven

Geloof en wetenschap

In wat ik nu ga vertellen maak ik voor mezelf wel een onderscheid. Ik maak een onderscheid tussen twee woorden op een manier waarop Patrick Perquini mij dat in Roeselare heeft geleerd. Religie wou voor Patrick zeggen: mensen hebben een God nodig. Geloof is iets anders. Geloof wil zeggen: God heeft de mensen nodig.

De ontmoeting met een ET kan misschien een impact hebben op een religie, maar niet op een geloof.

Welke zijn dan die religieuze uitdagingen? Ik geef er drie. Er zijn mensen die zich afvragen: wat is dan het doel van Gods creatie? Voor ons, christelijken, is de mens geschapen naar Zijn evenbeeld.

Terwijl Thomas van Acquinas nog heel hard op Aristoteles voortbouwde en zei: er is maar één wereld, en één mens, klonk het een eeuw later al:

We hold from faith that just as God made the world, so He could make another, or several words.

(Op grond van ons geloof houden wij voor waar dat God, net zoals hij de wereld maakte, hij er een tweede kon maken, of meerdere.)

Dat is geloof. Er zijn tot mijn verrassing nogal wat mensen die zich afvragen; stel dat je ET vindt, heb je dan voldoende aan één reïncarnatie?

De protestantse theoloog Paul Tillich [1886-1965], daarin ondersteund door de katholieke theoloog Karl Rahner [1904-1964] zei al:

Our basic answer leaves the universe open for possible divine manifestations in other areas or periods. Incarnation is unique for the special group in which it happens. It is not unique in the sense that other unique incarnations for other unique groups are excluded.

(Ons ultieme antwoord laat het universum open voor mogelijke andere goddelijke manifestaties in plaatsen of tijden. De menswording is uniek voor de doelgroep waarin zij plaats heeft. Zij is niet uniek in die zin dat andere unieke incarnaties voor andere unieke groepen is uitgesloten.)

Wolfhart Pannenberg [1928-2014] was het daarmee niet eens. Ik kan mij vinden in Tillich en Rahner als zij het hebben over religies. Het geloof is voor mij iets anders.

Wat zou dan de impact zijn, als we inderdaad contact hadden met die meer geavanceerde ET's? De Britse astrofysicus Paul Davies zegt dat dat een ongelofelijk probleem zou zijn. Zijn teksten gaan vooral daarover, dat die ET's een andere religieuze beleving zouden hebben. Ze zijn meer geavanceerd in hun religieuze beleving dan wij… Maar een religie is in progressie moet veranderen. En religie capteert ook de kennis van de wetenschap.

De Bijbel is meer dan een boek over de natuurwetten. David Wilkinson zei het heel mooi: het Bijbelse Christelijke geloof is vooral een geloof dat gaat over de plaats van de mens in dit verhaal, de unieke plaats van de mens en zijn God. En daar kan geen ET tussenkomen.

Geloof en wetenschap. Daarmee was ik gestart. Geloof je in de oerknal of geloof je in God. Wetenschap en religie delen hetzelfde alfabet, dat kan niet anders. We delen ook dezelfde taal. We spreken over dezelfde woorden: tijd, ruimte, begin, creatie. Maar ze bekleden een andere taaldimensie. Dat is wat het zo mooi, maar ook zo moeilijk maakt. Het is het verschil in het verstaan van woorden dat vaker tot verwarring dan tot verheldering leidt.

Ik sprak met een journaliste over een wiskundig boek en ik vertelde haar dat het creationisme toch maar eng is. En dan krijg je deze kop in de krant: GOD HEEFT DE WERELD NIET GESCHAPEN. Ik kan u vertellen hoeveel beroering dat heeft teweeggebracht. Omdat deze persoon het woord God op hetzelfde niveau heeft gebracht als "de aarde is ontstaan samen met de zon". Dat is iets anders. Dat zet je niet samen in één zin, tenzij je weet waarover je spreekt. Als je spreekt over God die de wereld niet heeft geschapen, dan zou je moeten theologisch nadenken, en niet wetenschappelijk. Hier komt er een vermenging die heel gevaarlijk is.

Wetenschap en religie hebben een andere basis, een andere causaliteit. Wetenschap is gebaseerd op de ratio: 1 plus 1 is 2. Geloof is niet rationeel, maar is ook niet irrationeel. Geloof is voor mij transrationeel. Geloof heeft niets te maken met godsbewijzen. Ik kan God niet definiëren, en het is maar als ik iets kan definiëren, dat ik kan bewijzen dat iets al dan niet bestaat. Wetenschap is zo opgebouwd. In wetenschap is alles juist, tot je het falsifieert.

Maar dat geldt niet als we spreken over een God en een godsbeeld. Een God die transrationeel is, een God die transcendent is, maakt het moeilijk. Want hoe kan ik dan met jou spreken over die God? Op een bepaalde manier krijg je een God die te hoog is voor ons. En wat doe je dan als mens? Je doet wat mensen zo gewoon zijn om te doen: je kent er eigenschappen aan toe. Hoe kan ik anders spreken over mijn godsbeeld? Het toekennen van eigenschappen leidt tot heel wat religies. Dat is mooi, want het geeft mij een – heel beperkte – manier om over God te spreken. Een manier die altijd onvolledig zal zijn, maar wel een schuchtere poging om te spreken over een godsbeeld – voor mij het katholieke godsbeeld.

Maar het is moeilijk. Een God die gebaseerd is op een transrationeel idee, wordt heel vaak vertaald als zijnde het beginsel van de werkelijkheid, eerste oorzaak. En wij mensen worden dan meteen tweede oorzaak genoemd. Opnieuw verwarring. Eerste oorzaak, als God, betekent niet: en in tijd – erna – komt de mens. In tweede oorzaak is tweede niet: na eerste. Maar hoe kan ik het anders vertellen?

Het is veel eenvoudiger als ik spreek over de wetenschap. In de wetenschap starten we met een set van axioma's. Uit die wiskundige axioma's leiden we dan de andere wiskunde af, de wetten van de natuur. Spreek ik over een God en een godsbeeld, dan heb ik die eenvoudige logica minder.

Wetenschap wordt vaak gebruikt om God te ontkennen. Ik gebruik een beeld van Kürt Gödel, niet omdat hij iets met God te maken heeft, maar omdat hij een bijzonder goede rekenkundige was. Gödel heeft aangetoond dat er in de wiskunde redeneringen zijn die juist zijn, maar waarvan ik nooit zal kunnen bewijzen dat het juist is. Bijvoorbeeld: "Ik ben een leugenaar". Ofwel is die uitspraak juist, en dan ben ik geen leugenaar. Ofwel is deze uitspraak niet juist, en dan ben ik een leugenaar, en dan klopt ze toch. Het is een paradox omdat je naar jezelf verwijst. Op die manier heeft Gödel aangetoond dat er juiste redeneringen zijn die je nooit binnen het bestaande wiskundige kader kunt bewijzen.

Nu voel je het gevaar. Je moet als het ware buiten het wiskundige kader gaan om aan te tonen dat die stellingen juist zijn. Een analoge redenering wordt maar al te vaak gebruikt om te vertellen dat God buiten het bestaande kader is. En dan kom je al heel snel uit bij een God die de gatenstopper is. Telkens als de wetenschap iets ontdekt lijkt het dan alsof er een beetje minder God overblijft. Dat is dan een God die je plaatst op het niveau van de wetenschap, en God is geen wetenschap. God is geen bewijs, en ik moet hem ook niet kunnen bewijzen.

Iemand die de kracht van wetenschap en geloof kan combineren was Mgr. Georges Lemaitre (1894-1966). Hij toonde aan de hand van wiskundige formules dat de tijd ontstaat. Tijd is ontstaan binnen een ruimte (we zijn gestart met een imaginaire tijd, dan komt de werkelijke tijd). Dat is heel bijzonder: tijd heeft zich ontrold. En net zoals je niet kunt vragen "Wat is er ten noorden van de noordpool" dat lijkt een logische vraag maar is het niet, zo kun je ook niet vragen "Wat was er vóór de Big Bang?". Want er was geen vóór, er was geen tijd.

Lemaitre heeft heel wat moed nodig gehad om dat te kunnen vertellen. Hij sprak op het moment dat men dacht dat het universum statisch was, en dat het katholicisme en de wetenschap nog heel er met elkaar vervlochten waren. Hij heeft het gedaan, en hij heeft het op een bijzonder mooie manier gedaan. Hem werd vaak verweten dat hij het christelijke dogma vermengde met de wetenschap.

Wat Lemaitre mooi heeft weten te verwoorden is het verschil tussen wetenschap en the beginning of time en de vraag waar het universum vandaan komt, waar God zit. Het feit dat hij dacht dat tijd is ontstaan gaf krediet aan God. De wetten van de fysica, zei hij, hebben mij een soort gordijn gegeven, waarachter ik niet kan kijken. De wetten van de fysica verbergen een God en die God heeft niets met de Big Bang te maken. God zit op een andere dimensie.

Lemaitre was op een bepaald ogenblik de lieveling van het Amerikaanse publiek. Een artikel over hem kreeg de titel: LEMAITRE FOLLOWS TWO PATHS TO TRUTH . Het artikel werd gepubliceerd in 1933, maar is best wel modern: je kunt nog altijd verwonderd zijn:

The conflict has always been between those who failed to understand the true scope of either science or religion. For those who understand both the conflict is simply about descriptions of what goes on in other people's minds.

(Het conflict is altijd tussen diegenen die de echte draagwijdte van ofwel wetenschap of religie. Voor hen die beide verstaan gaat het conflict alleen maar over de beschrijving van wat er in het hoofd van anderen omgaat.)

En verder:

I was interested in truth from the standpoint of salvation as well as in the truth form the standpoint of scientific certainty. There were two ways of arriving at the truth: to search thoroughly for the truth involves the searching of souls as well as of spectra.

(Ik was geïnteresseerd in de waarheid vanuit het standpunt van verlossing en tegelijkertijd in waarheid vanuit het standpunt van wetenschappelijke zekerheid. Er zijn twee manieren om bij de waarheid uit te komen: grondig naar waarheid zoeken houdt het onderzoek van de ziel in, evenzeer als dat van spectra.

New York Times 19 februari 1933

In de titel staat: Lemaitre follows two paths to truth. Er staat niet: Lemaitre follows two paths to the same truth. Als je de artikels van Lemaitre leest (bepaalde stukken kun je maar terugvinden in archieven) verstond die de kracht om het geloof en de wetenschap samen te houden en toch zo te formuleren dat het glashelder is voor diegenen die beide willen en kunnen verstaan.

Het is niet eenvoudig. Dan zit je als kind in een kerk en dan kijk je naar een Christus die boven op een wereldbol zit, en scepter bij zich had en bewierookt werd door een aantal engelen. En ik dacht: maar zo zit het nu toch niet. En dan zie je mooie schilderijen van Maria-tenhemelopneming, en dan word je een beetje wetenschapper, en dan denk je: maar zo werkt het toch ook niet. Natuurlijk verstond ik het niet: ik was tussen zes en acht jaar, en ik kende het verschil in taal nog niet.

Als kind krijg je een verhaal over een liefhebbende God en tegelijkertijd krijg je een beeld van een Christus die heerst over een wereld, op een manier die voor mij niet compatibel was met die verhalen die ik hoorde. Een manier die voor mij heel veel conflicten teweegbracht. Het zijn maar mensen zoals Patrick waarover ik daarnet al vertelde die mij hebben geleerd wat een Bijbel kan zijn.

Hoe moeilijk maken we het ons toch in de vieringen. Als ik mijn studenten drie teksten zou geven op één uur tijd, en een bespreking van tien minuten over die teksten, dan zou ik achteraf een nota krijgen dat dit niet de manier is waarop je lesgeeft. Je zit in de misviering en krijgt drie heerlijke Bijbelteksten, maar heel moeilijk om te verstaan. En dan komt er een preek van tien minuten. Hoe kun je dan die mooie gelaagdheid van die Bijbelverhalen verstaan. Het zijn andere mensen binnen Jonge Kerk Roeselare die me hebben geleerd dat je met vijf regels Bijbeltekst gemakkelijk een viering van één tot twee uur kunt vullen. Want zo kun je leren verstaan wat inhoud kan zijn van een Bijbelverhaal. Ik ben er hen dankbaar voor.

Wetenschap en religie zoeken beide een weg naar de waarheid. Je kunt kiezen om één ervan te bewandelen, of beide. Je kunt kiezen om het membraam te vormen tussen beide. Je kunt je laten verrijken, want religie en wetenschap kunnen in consonantie komen. Het is jouw keuze.

Je kunt twee wegen laten samenkomen in wie je bent. Er zijn historici die beweren dat Lemaitre beide wegen apart bewandelde. Ik ben geen historicus, en toch geloof ik dat niet. Of het nu gaat over wetenschap of over religie, over politiek of over ethiek: alles komt samen in wie jij bent. Als we het beeld verder trekken van twee wegen en een membraan, dan krijgen we al gemakkelijk het beeld van een spoorweg. Twee wegen, en daartussen het membraan. Als je het beeld van de spoorweg verder trekt, en je trekt één lijn bij, dan krijg je een vluchtpunt en een horizon. Dat leidt van een tweedimensionale figuur naar een ruimte. De bijkomende dimensie geeft ook toekomst, voorbij die horizon.

Meer weet ik niet. Ja, we moeten kunnen omgaan met het niet-weten. Het niet-weten als wetenschapper. Het niet-weten als gelovige. Maar gelukkig zie ik dat het membraan, de dwarsbalken, óók tot voorbij de horizon gaan.

Er zijn heel wat mensen die me hebben geholpen om wetenschapper te zijn. Er zijn heel wat mensen die mijn rugzak hebben gevuld om ook gelovige te zijn. Hen ben ik dankbaar. En op een dag zal ik voorbij die horizon gaan, niet wetende wat er op mij afkomt, alleen wetende dat er een membraan is.

Samenvatting: Rudi Draye, lid van de groep

Download deze uitgebreide samenvatting

Meer over deze confentie

Conferentie 18 februari 2019

Leen Decin